Info

Titel: Een Hogere Liefde: Brieven aan een Duitse Vriend
Auteur: Albert Camus, inleiding van Bas Heijne
Verschenen: 1960, Frankrijk

Inleiding

Albert Camus schreef 4 brieven tijdens de Tweede Wereldoorlog aan een fictieve Duitse vriend.

Inhoud

Brief 1

Ik wil van mijn land kunnen houden terwijl ik ook van rechtvaardigheid houd.

Albert Camus krijgt van zijn denkbeeldige vriend het verwijt niet net als hem van zijn land te houden. Hier worstelt Camus mee: Hij houdt wel degelijk van zijn land, maar niet op de exclusieve en extreme manier waarop nationalisten van hun land houden. Camus concludeert: Houden van je land mag niet exclusief zijn. Camus houdt ook van rechtvaardigheid, van de vrijheid het oneens te zijn met je medeburgers en de tolerantie van andere culturen. Die dingen moeten naast elkaar kunnen bestaan.

Dit doet denken aan de paradox van tolerantie van Karl Popper: Een land wat onvoorwaardelijk tolerant is gaat zelf ten onder aan intolerantie.

Brief 4

U heeft nooit in de zin van deze wereld geloofd en heeft daarom de conclusie getrokken dat alles gelijkwaardig is en goed en kwaad naar believen gedefinieerd kunnen worden. U heeft aangenomen dat in de afwezigheid van alle menselijke of goddelijke moraal alleen de waarden die het dierenrijk bepalen overeind bleven, namelijk geweld en list. Daaruit heeft u geconcludeerd dat de mens niets is en men zijn ziel kan doden, dat in onze hoogst zinloze geschiedenis de opdracht van een individu alleen maar het avontuur van de macht kan zijn en zijn moraal slechts die van het realisme van de verovering. En ik die, om u de waarheid te vertellen, dacht net zoals u te denken, zag geen valide argument om u van repliek te dienen, behalve een hevig verlangen naar rechtvaardigheid dat mij, ten slotte, even onredelijk scheen als de meest plotselinge hartstocht.

Deze alinea zie ik als de grote dreiging binnen het postmodernisme en nihilisme van deze tijd. Als het leven an sich zinloos en betekenisloos is, waarom dan niet anderen misbruiken om macht te vergaren en uiteindelijk voor jezelf alles goed op orde te hebben? Camus erkent hier geen argumenten voor te hebben behalve het benoemen van het diepe gevoel van onrechtvaardigheid wat hem overspoelt.