Hoofdstukken


Hoofdstuk 9

Anterograde Amnesia

anterograde amnesie
Verlies, als gevolg van hersenletsel, van het vermogen om nieuwe langetermijnherinneringen te vormen voor gebeurtenissen die plaatsvinden na het letsel.

Associations

associatie
Met betrekking tot de geest, een verband tussen twee herinneringen of mentale concepten, zodanig dat het oproepen van de ene herinnering de herinnering aan de andere bevordert.

Association By Contiguity

associatie door nabijheid
Aristoteles’ principe stelt dat als twee gebeurtenissen uit de omgeving (prikkels) tegelijkertijd of direct na elkaar plaatsvinden (aaneengesloten), deze gebeurtenissen in de geest met elkaar verbonden zullen worden.

Association By Similarity

associatie door gelijkenis
Aristoteles’ principe stelt dat objecten, gebeurtenissen of ideeën die op elkaar lijken, in de geest van de persoon met elkaar verbonden (geassocieerd) raken zodat de gedachte aan het ene de gedachte aan het andere oproept.

Attention

aandacht
Het proces dat de informatiestroom van het sensorisch geheugen naar het werkgeheugen regelt. Het focussen van mentale activiteit langs een specifiek pad, ongeacht of dat pad puur bestaat uit innerlijke herinneringen en kennis of gebaseerd is op externe stimuli.

Automatic Processes

automatische processen
Cognitieve processen die geen mentale moeite kosten om uitgevoerd te worden.

Central Executive

centrale uitvoerder
Volgens Baddeley’s theorie is een onderdeel van de geest verantwoordelijk voor het coördineren van alle activiteiten van het werkgeheugen en voor het binnenbrengen van nieuwe informatie in het werkgeheugen.

Chunking

groeperen
Een strategie om het vermogen om een ​​reeks items te onthouden te verbeteren door ze mentaal te groeperen, zodat er minder items overblijven.

Classical Conditioning effects

Klassieke Conditionering effecten
De herinneringen die voortkomen uit klassieke conditionering – de interne veranderingen die ertoe leiden dat een persoon of dier reageert op geconditioneerde stimuli.

Consciousness

Bewustzijn
Het ervaren van waarnemingen of andere mentale gebeurtenissen op een manier dat men erover aan anderen kan rapporteren.

Consolidation

consolidatie
Het proces waarbij een nieuwe herinnering in de hersenen wordt verankerd, zodat deze niet gemakkelijk wordt vergeten.

Control Processes

controleprocessen
De mentale processen die werken op informatie in de geheugenopslag en informatie van de ene opslag naar de andere verplaatsen.

Dual-Processing Theories

duale verwerkingstheorieën
Cognitieve theorieën stellen dat mensen over het algemeen op twee manieren informatie verwerken. Typisch gaan dergelijke theorieën ervan uit dat de ene vorm van denken zich aan de automatische kant van het informatieverwerkingscontinuüm bevindt, waarbij de verwerking snel, automatisch en onbewust is, en dat de tweede manier van denken zich aan de inspannende kant van dit continuüm bevindt, waarbij de verwerking langzaam, inspannend en bewust is.

Echoic Memory

echoïsch geheugen
Sensorisch geheugen van het zintuig ‘gehoor’.

Effortful Processes

inspannende processen
Cognitieve processen die ruimte innemen van de gelimiteerde capaciteit van het informatie-verwerkingssysteem.

Elaboration

elaboratie
Het proces waarbij men over een stukje informatie nadenkt op een manier die het mentaal koppelt aan andere informatie in het geheugen, wat helpt om het stukje informatie in het langetermijngeheugen op te slaan. Ook Elaboratieve Herhaling genoemd.

Encoding

coderen
Het mentale proces waarbij lange-termijn herinneringen worden gevormd.

Encoding Rehearsal

coderend herhalen
Elk actief mentaal proces waarbij een persoon ernaar streeft informatie in het langetermijngeheugen op te slaan.

Episodic Memory

episodisch geheugen
Expliciete herinnering aan gebeurtenissen (episodes) uit het eigen leven.

Executive Functions

executieve functies
De processen die betrokken zijn bij het reguleren van de aandacht en bij het bepalen wat te doen met informatie die zojuist is verzameld of uit het langetermijngeheugen is opgehaald.

Explicit Memory

expliciet geheugen
De categorie geheugen die bewust kan worden opgeroepen en gebruikt om expliciete vragen te beantwoorden over wat men weet of zich herinnert.

Iconic Memory

iconisch geheugen
Sensorisch geheugen voor het zintuig ‘zien’.

Implicit Memory

impliciet geheugen
Een herinnering die iemands gedrag of gedachten beïnvloedt, maar zelf niet tot het bewustzijn doordringt.

Infantile Amnesia

infantiele amnesie
Het onvermogen om gebeurtenissen uit de babytijd en vroege kindertijd te herinneren.

Long-Term Memory

langetermijngeheugen
Informatie die voor langere periode wordt bewaard in het brein.

Maintenance Rehearsal

onderhoudsherhaling
Elk actief mentaal proces waarbij een persoon ernaar streeft informatie gedurende een bepaalde tijd in het kortetermijngeheugen vast te houden.

Memory

geheugen

  1. Het vermogen van de geest om informatie gedurende langere tijd vast te houden.
  2. Informatie die gedurende langere tijd in de geest wordt vastgehouden.
Memory Stores

geheugenopslagplaatsen
In de cognitieve psychologie zijn dit hypothetische constructen die worden opgevat als plaatsen waar informatie in het brein wordt opgeslagen.

Phonological Loop

fonologische lus
tekst

Preattentive Processing

pre-attentieve verwerking
De analyse, op een onbewust niveau, waarbij de geest bepaalt welke prikkels het waard zijn om in het werkgeheugen te worden opgeslagen.

Priming

priming
Het impliciete geheugenproces waarbij een stimulus (de primingstimulus) één of meer herinneringen activeert (gemakkelijker oproepbaar maakt) die al in het geheugen van een persoon aanwezig zijn.

Procedural Memory

procedureel geheugen
De vorm van impliciet geheugen die een persoon in staat stelt specifieke aangeleerde vaardigheden of automatische reacties uit te voeren.

Prospective Memory

prospectief geheugen
Herinneren om iets in de toekomst te doen.

Retrieval

ophalen
Het mentale proces waarbij lange-termijn herinneringen in het werkgeheugen worden gebracht, waar ze onderdeel worden van de flow van gedachten.

Retrieval Cue

ophaalcue
Een woord, zin of andere prikkel die iemand helpt om een ​​specifiek stukje informatie uit het langetermijngeheugen op te halen.

Retrograde Amnesia

retrograde amnesie
Verlies, als gevolg van hersenletsel, van langetermijnherinneringen die vóór het letsel waren gevormd.

Schema

schema
De mentale representatie van een concept; de informatie die is opgeslagen in het langetermijngeheugen en die een persoon in staat stelt een groep verschillende gebeurtenissen of objecten te identificeren als behorend tot dezelfde categorie.

Scripts

scripts
Een soort schema dat in het geheugen de temporele organisatie van een categorie gebeurtenissen weergeeft (zoals de volgorde van gebeurtenissen op een typisch verjaardagsfeest).

Semantic Memory

semantisch geheugen
Het semantisch geheugen is iemands opslagplaats van expliciete algemene kennis, dat wil zeggen kennis die in woorden kan worden uitgedrukt en niet mentaal is gekoppeld aan specifieke ervaringen in iemands eigen leven. Semantisch geheugen omvat, maar is niet beperkt tot, iemands kennis van woordbetekenissen.

Sensory Memory

zintuiglijk geheugen
Het korte spoor van de originele informatie in sensorisch geheugen. Dit is minder dan een seconde bij beeld en tot 3 seconden voor geluid. De ervaring alsof de originele stimulus nog steeds wordt ervaren.

Short-Term Memory Span

geheugenspanne
Het aantal uitspreekbare informatie-items (zoals losse, willekeurig gekozen cijfers) dat een persoon op een bepaald moment in het kortetermijngeheugen (werkgeheugen) kan vasthouden.

Short-Term Store

korte-termijn opslag
Geheugenopslagplaats die een gelimiteerde hoeveelheid informatie voor slechts een aantal seconden kan vasthouden. Cognitieve handelingen worden uitgevoerd in de korte-termijn opslag en informatie kan hier eindeloos worden bewaard door middel van handelingen zoals herhaling.

Stroop Interference Effect

Stroop-interferentie-effect
Vernoemd naar J. Ridley Stroop, het effect waarbij een gedrukt kleurnaam (zoals het woord rood) het vermogen van een persoon om de kleur van de inkt waarin het woord is gedrukt te benoemen verstoort, als de kleur van de inkt niet dezelfde is als de kleur die door het woord wordt genoemd.

Temporal-Lobe Amnesia

temporaalkwab-amnesie
Het verlies van geheugenvermogen dat optreedt als gevolg van schade aan structuren in het limbisch systeem die zich onder de temporale kwab van de hersenschors bevinden.

Visuospatial Sketchpad

visuospatieel schetsblok
Volgens Baddeley’s theorie is een onderdeel van het werkgeheugen verantwoordelijk voor het vasthouden van visuele en ruimtelijke informatie.

Working Memory

werkgeheugen
Het geheugen, dat wordt beschouwd als de belangrijkste werkplek van de geest. Het is onder andere de zetel van bewust denken en redeneren.


Hoofdstuk 10

Analogy

Analogie
In de ethologie en vergelijkende psychologie wordt elke gelijkenis tussen soorten gedefinieerd als niet te danken aan een gemeenschappelijke voorouder, maar onafhankelijk van elkaar geëvolueerd vanwege een of andere gelijkenis in hun leefomgeving of levensstijl.

Availability Bias

Beschikbaarheidsbias
De neiging om bij het redeneren te veel te vertrouwen op informatie die gemakkelijk beschikbaar is en informatie die minder gemakkelijk beschikbaar is te negeren.

Confirmation Bias

Bevestigingsvooroordeel
De neiging van mensen om bewijs te zoeken dat hun huidige hypotheses bevestigt, in plaats van ontkracht.

Crystallized Intelligence

Gegeneraliseerde (gecrystalliseerde) Intelligentie
Volgens Cattells theorie is intelligentie een vorm van intelligentie die direct voortkomt uit eerdere ervaringen. Het omvat iemands opgebouwde kennis en verbale vaardigheden.

Deductive Reasoning

Deductief Redeneren
Logisch redeneren van het algemene naar het specifieke; de ​​redeneerder begint met het accepteren van de waarheid van een of meer algemene premissen of axioma’s en gebruikt deze om vast te stellen of een specifieke conclusie waar, onwaar of onbepaald is.

Fluid intelligence

Vloeiende Intelligentie
Volgens Cattells theorie is er sprake van een vorm van intelligentie die iemand in staat stelt om relaties te waarnemen, onafhankelijk van eerdere specifieke oefening of instructie met betrekking tot die relaties.

Flynn effect

Flynn-effect
De systematische stijging van IQ-scores (ongeveer 3 punten per decennium) die gedurende de twintigste eeuw is waargenomen.

Functional Fixedness

Functionele Fixatie
Het onvermogen om een ​​object te zien als een object met een andere functie dan de gebruikelijke.

General Intelligence

Algemene Intelligentie Volgens Spearmans theorie is intelligentie het onderliggende mentale vermogen dat de prestaties op een breed scala aan mentale tests beïnvloedt en de statistische correlatie tussen scores op dergelijke tests verklaart.

Heritability

Erfelijkheid
Het aandeel van de variabiliteit in een bepaalde eigenschap, in een bepaalde groep individuen, dat te wijten is aan genetische verschillen in plaats van aan omgevingsverschillen tussen de individuen.

Inductive Reasoning

Inductief Redeneren
Logisch redeneren van het specifieke naar het algemene; de ​​redeneerder begint met een reeks specifieke observaties of feiten en gebruikt deze om een ​​meer algemene regel af te leiden die die observaties of feiten verklaart; ook wel Hypotheseconstructie genoemd.

Insight Problems

Inzichtsproblemen
Een probleem dat moeilijk op te lossen is totdat het op een nieuwe manier wordt bekeken, waarbij een andere denkwijze wordt gehanteerd dan oorspronkelijk het geval was.

Intelligence

Intelligentie
De variabele mentale capaciteit die ten grondslag ligt aan individuele verschillen in redeneren, probleemoplossing en het verwerven van nieuwe kennis.

IQ

IQ (intelligentiequotiënt)
Afkorting voor intelligentiequotiënt, gedefinieerd als een score op een intelligentietest die gestandaardiseerd is op een zodanige manier dat de gemiddelde score voor de populatie 100 is en de verdeling van de scores rond dat gemiddelde overeenkomt met een normale verdeling.

Mental Set

Mentale Set
Een gewoonte van waarnemen of denken, voortkomend uit eerdere ervaringen, die iemand kan helpen of belemmeren bij het oplossen van een nieuw probleem.

Nature–nurture Debate

Nature–Nurture-Debat
De langlopende controverse gaat over de vraag of de verschillen tussen mensen voornamelijk te wijten zijn aan hun genetische verschillen (aanleg) of aan verschillen in hun verleden en huidige omgeving (opvoeding).

Predictable-World Bias

Vooroordeel van een Voorspelbare Wereld
De neiging om te geloven dat gebeurtenissen voorspelbaarder zijn dan ze in werkelijkheid zijn.

Stereotype Threat

Stereotype Bedreiging
Het gevoel van bedreiging dat ontstaat tijdens het afleggen van een toets, wanneer iemand eraan herinnerd wordt dat hij of zij behoort tot een groep die, volgens een cultureel dominant stereotype, naar verwachting slecht zal presteren op de toets.


Hoofdstuk 11

Accommodation

Accommodatie
In Piagets theorie van cognitieve ontwikkeling betekent dit de verandering die optreedt in een bestaande mentale structuur of verzameling structuren wanneer nieuwe ervaringen of objecten worden opgenomen.

Assimilation

Assimilatie
In Piagets theorie van cognitieve ontwikkeling is dit het proces waarbij ervaringen worden opgenomen in het denken, of specifieker: in bestaande mentale schema’s.

Autism (Autism Spectrum Disorder)

Autisme (autismespectrumstoornis)
Een vroeg ontwikkelende stoornis die wordt gekenmerkt door ernstige beperkingen in sociale interactie, grote problemen in taalverwerving, de neiging om repetitieve handelingen uit te voeren en een sterk beperkte focus van aandacht en interesse.

Centration

Centratie
In Piagets theorie is dit de neiging van preoperationele kinderen om zich op één aspect van een situatie te richten en andere relevante aspecten te negeren; in contrast met decentratie.

Concrete-operational Schemes

Concreet-operationele schema’s
In Piagets theorie is dit het soort mentale structuur dat een kind in staat stelt logisch te redeneren over omkeerbare handelingen (operaties), maar alleen wanneer deze worden toegepast op objecten waarmee het kind directe, concrete ervaring heeft gehad.

Creole Language

Creoolse taal
Een nieuwe taal, met eigen grammaticale regels, die ontstaat uit een pidgin­taal in kolonies waar mensen met verschillende moedertalen samenkomen.

Decentration

Decentratie
In Piagets theorie is dit het vermogen van concreet operationele kinderen om meerdere aspecten van een stimulus of situatie tegelijk in overweging te nemen; in contrast met centratie.

Developmental Psychology

Ontwikkelingspsychologie
De tak van de psychologie die veranderingen in mensen hun vaardigheden en gedragsstijlen in kaart brengt naarmate ze ouder worden, en probeert te begrijpen welke factoren deze veranderingen veroorzaken of beïnvloeden.

Egocentricity

Egocentriciteit
In Piagets theorie is dit de neiging om objecten en gebeurtenissen te interpreteren vanuit het eigen perspectief, zonder rekening te houden met dat van anderen.

Embryonic Phase

Embryonale fase
De ontwikkelingsfase die loopt van ongeveer de derde tot de achtste week na de bevruchting bij mensen, waarin alle belangrijke orgaansystemen worden gevormd.

Fetal Phase

Foetale fase
Ontwikkelingsperiode die loopt van ongeveer negen weken tot de geboorte, die bij mensen gewoonlijk ongeveer 38 weken na de conceptie plaatsvindt.

Formal-operational Schemes

Formeel-operationele schema’s
Volgens Piagets theorie is dit het type mentale structuur dat iemand in staat stelt te redeneren over abstracte concepten en hypothetische ideeën.

Grammar

Grammatica
De volledige reeks regels die de toegestane manieren specificeren waarop kleinere eenheden kunnen worden gerangschikt om morfemen, woorden, zinsdelen en zinnen in een taal te vormen.

Language-acquisition Device

Taalverwervingsmechanisme (LAD)
Aangeboren kenmerken van de menselijke geest die volgens Chomsky kinderen in staat stellen hun moedertaal te leren. Dit omvat een aangeboren kennis van de basisaspecten van grammatica die gemeenschappelijk zijn aan alle talen, evenals een aangeboren aanleg om aandacht te besteden aan en de belangrijke, unieke kenmerken van een taal te onthouden.

Language-acquisition Support System

Taalondersteuningssysteem (LASS)
De term die door sociaal-leertheoretici wordt gebruikt om te verwijzen naar de vereenvoudiging van taal en het gebruik van gebaren wanneer ouders of andere taalgebruikers met jonge kinderen spreken. Dit helpt kinderen bij het verwerven van taal en werd ontwikkeld als aanvulling op Chomsky’s concept van het Language Acquisition Device (LAD), het taalverwervingsmechanisme.

Morphemes

Morfemen
De kleinste betekenisvolle eenheden van een gesproken of geschreven taal; woorden, voorvoegsels (prefixen) of achtervoegsels (suffixen) die een afzonderlijke betekenis hebben.

Object Permanence

Objectpermanentie
Piaget’s term voor het inzicht dat een object blijft bestaan, ook wanneer het niet zichtbaar is of buiten het gezichtsveld ligt. Dit begrip staat bekend als objectpermanentie.

Operations

Operaties
Piaget’s term voor een omkeerbare handeling die zowel daadwerkelijk als in gedachten kan worden uitgevoerd op een object of een verzameling objecten. Een voorbeeld is het rollen van een kleibal tot een kleiworst; dit is een operatie omdat de kleiworst weer teruggerold kan worden tot de oorspronkelijke bal.

Phonemes

Fonemen
De verschillende klinker- en medeklinkerklanken die de basis vormen van een gesproken taal. Deze klanken worden fonemen genoemd en zijn de kleinste klankeenheden die betekenisverschillen in een taal kunnen aangeven.

Pidgin Language

Pidgintaal
Een primitief communicatiesysteem dat ontstaat wanneer mensen met verschillende moedertalen zich in hetzelfde gebied vestigen. Het maakt gebruik van woorden uit de verschillende oorspronkelijke talen en heeft geen of slechts een zeer beperkte grammaticale structuur. Een dergelijke taalvorm wordt een pidgin genoemd.

Preoperational Schemes

Preoperationele schema’s
In Piaget’s theorie: mentale structuren die het kind in staat stellen objecten en gebeurtenissen die niet aanwezig zijn mentaal voor te stellen of te symboliseren, maar die het kind nog niet in staat stellen na te denken over de bewerkingen (operaties) die op die objecten kunnen worden uitgevoerd. Deze mentale structuren worden representaties genoemd.

Puberty

Puberteit
Periode in het leven waarin kinderen de volwassen lichaamsgrootte en lichamelijke kenmerken bereiken, waaronder geslachtsrijpheid. Deze periode wordt de puberteit genoemd.

Representational Insight

Representationeel inzicht
Het besef dat een entiteit iets anders kan vertegenwoordigen dan zichzelf. Met andere woorden: het inzicht dat een symbool, woord, afbeelding of object kan verwijzen naar iets anders.

Scaffolding

Scaffolding (steunstructuur)
Een proces waarbij een deskundige (expert) een beginner (novice) begeleidt door zijn of haar ondersteuning voortdurend af te stemmen op de reacties en het begripsniveau van de beginner. Hierdoor krijgt de beginner geleidelijk een beter begrip van het probleem of de taak en kan hij of zij steeds meer zelfstandig functioneren. Dit proces wordt scaffolding (steunstructuur of stapsgewijze ondersteuning) genoemd.

Schemes

Schema’s
Piaget’s term voor de mentale structuren die de basis vormen van het denken en die zich tijdens de ontwikkeling in duidelijke stadia veranderen. Deze structuren bevatten kennis over de handelingen en bewerkingen die iemand op objecten kan uitvoeren, zowel daadwerkelijk als mentaal. Piaget noemde deze mentale structuren schema’s.

Sensorimotor Schemes

Sensorimotorische schema’s
In Piagets theorie: het type mentale structuur dat een baby in staat stelt te handelen op objecten die direct aanwezig zijn, maar dat nog niet toestaat om na te denken over objecten die afwezig zijn. Deze vroege mentale structuren zijn gebaseerd op waarneming en handeling en worden sensomotorische schema’s genoemd. Ze vormen de basis voor de latere ontwikkeling van meer complexe denkprocessen.

Shared Attention

Gedeelde aandacht
Het gezamenlijk richten van de aandacht van twee personen op hetzelfde object, dezelfde gebeurtenis of dezelfde activiteit, waarbij zij deze ervaring met elkaar delen. Dit wordt gezamenlijke aandacht (joint attention) genoemd en speelt een belangrijke rol in de sociale, cognitieve en taalontwikkeling van kinderen.

Social Referencing

Sociaal refereren
Het proces waarbij baby’s de non-verbale emotionele uitdrukkingen van een verzorger gebruiken als aanwijzingen om hun eigen gedrag te sturen. Een kind kan bijvoorbeeld naar de reactie van een ouder kijken om te bepalen of een onbekende situatie veilig of gevaarlijk is. Dit proces wordt sociaal refereren (social referencing) genoemd.

Syntax

Syntaxis
De verzameling grammaticale regels van een bepaalde taal die bepaalt hoe woorden kunnen worden gerangschikt om woordgroepen en zinnen te vormen. Deze regels vormen de syntaxis van een taal.

Teratogens

Teratogenen
Externe factoren, zoals medicijnen, drugs, alcohol, chemicaliën, infecties of straling, die schadelijke effecten kunnen hebben op een zich ontwikkelend embryo of een foetus. Dergelijke factoren worden teratogenen genoemd en kunnen leiden tot aangeboren afwijkingen, ontwikkelingsproblemen of zwangerschapscomplicaties.

Theory Of Mind

Theory of mind (theorie van de geest)
Iemands opvattingen over mentale processen en activiteiten; de term verwijst naar hoe mensen denken over gedachten, overtuigingen, wensen, kennis en intenties, en hoe zij op basis daarvan het gedrag van anderen begrijpen, voorspellen en verklaren. Dit begrip staat bekend als de theorie van de geest (theory of mind).

Tools Of Intellectual Adaptation

Hulpmiddelen voor intellectuele adaptatie
Vygotsky’s term voor de hulpmiddelen die een cultuur biedt om denken, leren en probleemoplossing te ondersteunen. Deze hulpmiddelen kunnen zowel materieel zijn (zoals boeken, schrijfgerei of computers) als symbolisch (zoals taal, getallen, symbolen en geheugenstrategieën). Vygotsky noemde deze hulpmiddelen tools of intellectual adaptation, oftewel intellectuele hulpmiddelen.

Universal Grammar

Universele grammatica
De aangeboren grammatica die volgens nativistische theorieën van taalverwerving ten grondslag ligt aan alle menselijke talen. Deze aangeboren kennis bevat de fundamentele grammaticale principes die talen met elkaar gemeen hebben en helpt kinderen bij het leren van hun moedertaal. Dit concept staat bekend als de universele grammatica (universal grammar).

Zone Of Proximal Development

Zone van naaste ontwikkeling
In Vygotsky’s theorie: het bereik van activiteiten of taken die een kind wel kan uitvoeren met hulp van meer competente anderen (zoals ouders, leerkrachten of leeftijdsgenoten), maar nog niet zelfstandig kan verrichten. Binnen dit gebied vindt de meest effectieve ontwikkeling en het meeste leren plaats. Dit concept staat bekend als de zone van naaste ontwikkeling (Zone of Proximal Development, ZPD).

Zygotic Phase

Zygote- of kiemfase
Ontwikkelingsfase bij de mens die ongeveer twee weken duurt, begint bij de bevruchting van de eicel en eindigt wanneer de zygote zich in de baarmoederwand nestelt. Deze fase staat bekend als het zygotische stadium of de kiemperiode.


Hoofdstuk 12

Attachment

Hechting
tekst

Disorganized/Disoriented Attachment

Gedesorganiseerde/Gedesoriënteerde Hechting
tekst

Emerging Adulthood

Opkomende Volwassenheid
tekst

Gender Identity

Genderidentiteit
tekst

Insecure-Avoidant Attachment

Onveilige Vermijdende Hechting
tekst

Insecure-Resistant Attachment

Onveilige Resistente Hechting
tekst

Overimitation

Overimitatie
tekst

Parenting Styles

Opvoedingsstijlen
tekst

Prosocial Behavior

Prosociaal Gedrag
tekst

Secure Attachment

Veilige Hechting
tekst

Strange-Situation Test

Vreemde-Situatietest
tekst


Hoofdstuk 13

Attitude

Houding
tekst

Attribution

Attributie
tekst

Cognitive Dissonance Theory

Theorie van cognitieve dissonantie
tekst

Explicit Attitudes

Expliciete houdingen
tekst

Explicit Stereotypes

Expliciete stereotypen
tekst

Foot-in-the-Door Technique

Voet-tussen-de-deurtechniek
tekst

Fundamental Attribution Error

Fundamentele attributiefout
tekst

Group Polarization

Groepspolarisatie
tekst

Groupthink

Groepsdenken
tekst

Implicit Association Tests

Impliciete associatietests
tekst

Implicit Attitudes

Impliciete houdingen
tekst

Implicit Stereotypes

Impliciete stereotypen
tekst

Impression Management

Impressiemanagement
tekst

Informational Influence

Informatieve invloed
tekst

In-Groups

In-groepen
tekst

Insufficient-Justification Effect

Onvoldoende-rechtvaardigingseffect
tekst

Low-Ball Technique

Lagebaltechniek
tekst

Normative Influence

Normatieve invloed
tekst

Out-Groups

Uit-groepen
tekst

Person Bias

Persoonsbias
tekst

Personal Identity

Persoonlijke identiteit
tekst

Pygmalion Effects

Pygmalioneffecten
tekst

Reference Group

Referentiegroep
tekst

Self-Concept

Zelfconcept
tekst

Self-Esteem

Zelfwaardering
tekst

Self-Fulfilling Prophecies

Zelfvervullende voorspellingen
tekst

Self-Serving Attributional Bias

Zelfdienende attributiebias
tekst

Social Comparison

Sociale vergelijking
tekst

Social Dilemmas

Sociale dilemma’s
tekst

Social Facilitation

Sociale facilitatie
tekst

Social Identity

Sociale identiteit
tekst

Social Interference

Sociale interferentie
tekst

Social Pressure

Sociale druk
tekst

Social Psychology

Sociale psychologie
tekst

Stereotype

Stereotype
tekst

Stereotype Threat

Stereotypedreiging
tekst

Superordinate Goals

Overkoepelende doelen
tekst